top of page

Ezechiels War - Part Two

Wie is eigenlijk Gods volk?


Vaak wordt gedacht dat in het Oude Testament iedere Israëliet automatisch tot Gods volk behoorde. Dat is niet zo gek, want God zelf zegt in Exodus 3:6 "Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob."


Als je zou vragen wie God bedoeld als Hij spreekt over "Mijn volk Israël" zullen veel christenen direct zeggen: "Dat zijn de Joden natuurlijk! Toen, maar ook nu."


Vanuit die overtuiging ondersteunen ook heel veel christenen Israël. Soms heel zichtbaar met een button op hun social media profiel dat zegt "I stand with Israël"

Ik heb ook hele lieve mensen en hele goede geloofsvrienden om mij heen, die uit overtuiging Israël onvoorwaardelijk steunen.


Het verdient respect om je geloof openlijk te belijden. Maar wie zij nu eigenlijk steunen, zal wellicht niet eens een vraag voor ze zijn. Omdat ze uit gewoonte trouw zijn aan wat de Bijbel lijkt te zeggen. Maar zegt de Bijbel dat ook?


Met name de oude profeten waren vaak bijzonder streng en scherp tegen Israël. Omdat ze trouw waren aan Gods waarheid en Zijn waarheid spraken. Maar ze hadden Israël lief en hadden verdriet voor ze. Ware liefde voor Israël is dus zeker niet hetzelfde als kritiekloos zwijgen of zonder vragen steunen.


Maar misschien is het helemaal niet zo eenvoudig als dat het op het eerste gezicht lijkt. We hebben immers afgesloten in het vorige deel met de tekst van Paulus uit Romeinen 9:6 "Niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël."


Let op wat dit zegt! Paulus brengt hiermee een hele duidelijke nuance aan, maar die is wel volledig in lijn met het onderscheid dat doorlopend ook al in het Oude Testament wordt gemaakt. Niet iedere afstammeling van Abraham erft de belofte. Ismaël niet en eerder ook Ezau niet.


We weten dat Israël oorspronkelijk is ontstaan doordat Jakob een nachtelijke worsteling met God had en God hem op de heup aantikte en mank maakte. God heeft Jakob toen tijdens het ochtendgloren de nieuwe naam Israël gegeven. En uit Jakob zijn de twaalf stammen voortgekomen onder wie later het land is verdeeld.


Jakob worstelt met God bij de beek Jabbok als beeld van geloof, overgave en de oorsprong van Israël
Jakob worstelt een hele nacht met een man. Het blijkt God te zijn.

Die strijd met God is bijzonder veelzeggende gebeurtenis. Jakob stond op een kruispunt in zijn leven. Na twintig jaar in Paddan-Aram keert hij terug. Achter hem lag een leven van list en bedrog om op eigen kracht invulling te geven aan zijn leven. Voor hem ligt de ontmoeting met zijn broer Ezau, waarvan hij verwacht dat die hem wil doden.


Genesis 32 vers 24-32 vertelt ons het laatste stuk van dit verhaal. En het is bijzonder opmerkelijk dat de tekst zegt: "En toen 'de man' zag dat Hij hem (Jakob) niet kon overwinnen, raakte hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde"


Het bijzondere inzicht hieruit zou kunnen zijn, dat God ons hiermee Zijn weg duidelijk maakt.


God kiest hier niet voor een goddelijke overwinning op Jakob, maar hij zoekt de overgave van Jakob. Jakob blijft de hele nacht worstelen en God tikt zijn heup aan, zodat die ontwricht, en zegt dan vervolgens: "Laat Mij gaan, want de dageraad breekt aan" Waarop Jakob zegt: "Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent"


Het is Jakob door die ene aanraking duidelijk geworden, met wie hij werkelijk worstelde. Jakob laat ook direct zien dat hij het volledig begrepen heeft in vers 30: "En Jakob gaf die plaats de naam Pniël. Want, zei hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is behouden" (LXX)


God zoekt geen overweldiging of vernietiging, maar Hij komt op ons niveau. Hij nodigt uit, Hij spreekt, Hij waarschuwt, Hij breekt en Hij wacht. Hij 'worstelt' met de mens en laat de mens met Hem worstelen. En pas wanneer alle menselijk kracht op is, ontstaat er ruimte voor een leven dat rust op Gods kracht.


God raakt alleen maar Jakobs heup aan en die is blijvend mank. Het laat zien dat het nooit een krachtmeting is geweest. Door die éne aanraking kwam alles in een ander licht te staan. Jakob zegt: "Ik heb God gezien en mijn leven is behouden".


Het gaat er niet om dat Jakob in deze worsteling sterker lijkt te zijn dan God, maar vooral dat Jakob ophoudt te vertrouwen op Jakob. Dat Hij God erkent en Hem om Zijn zegen vraagt. God vraagt Jakob om zijn naam en zegt vervolgens:


"Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en mensen gestreden en hebt overwonnen."


Maar Jakob heeft niet overwonnen op eigen kracht. Hij heeft overwonnen door ontzag voor God en overgave aan Hem. En dat gaat, in mijn gedachte, over de wijsheid van God, die ons hiermee al vertelt dat alles in Zijn handen ligt. Dat Hij toen de toekomst van Israël al kende.


Want het volk Israël komt voort uit een manke aardse vader. Een volk dat vervolgens altijd met God en met mensen blijft strijden. Maar wie overwint, is dus degene die in God gelooft. Dat is de mens die, in volle overgave zijn vertrouwen niet in zichzelf stelt, maar zijn leven aan God geeft. Met ontzag voor de almachtige grootheid. En dat kan door één aanraking.


Wat Gods ook laat zien is dat het niet met Israël begon. Henoch 'wandelde' met God. Dat was al vóór de zondvloed. En na de zondvloed begon God het tweede bedrijf. Met één man en dat was Abraham.


Abraham was geen Jood, hij was niet besneden en hij hield ook de Wet niet. Die was er nog niet. Maar ook het volk Israël bestond nog niet, want immers vanaf Jakob, zoon van Izaäk, kwam die naam Israël pas. Abraham was zijn opa.


Daarom gaat het wellicht ook niet specifiek alleen over het volk Israël, maar veel meer waar het Joodse volk voor staat. Want Israël krijgt haar plek in het tweede bedrijf, in het verhaal van ná de zondvloed. Maar waar is Israël dan in het derde bedrijf van Gods plan? In het Nieuwe Testament?


Want daarin is het religieuze en voorname Joodse volk, zelfs verantwoordelijk voor de kruisiging van Jezus. De hardnekkige koppigheid van de Israëlieten in het Oude Testament is duidelijk. Wát een ontrouw tegen God. En hoeveel correcties hebben zij niet van God gekregen en ondervonden dat die correcties ook steeds zwaarder werden?


Maar dan is de vraag;

Zou dat bij elk volk dat God uitverkoren zou hebben, niet gewoon hetzelfde zijn geweest?


Staan Israël en Jakob niet gewoon voor het beeld van 'de mens' in deze wereld? Die het 'grote kwaad', dat wordt voorgesteld als de Farao, de Assyrische Koning en de Leviathan, nooit zullen kunnen weerstaan zónder God?


Want de oude profeten laten nog iets anders zien. Zij maken ook al een duidelijk onderscheid tussen het volk als natie en degenen die God werkelijk zoeken. Dat is niet het hele volk. Want Jesaja, Jeremia en Micha spreken regelmatig over een overblijfsel van Israël.


En dat is niet alleen in de toekomst, maar ook al in hun eigen tijd. Zo dacht de profeet Elia zelfs dat hij als enige was overgebleven. Maar God zei tegen Elia: "Ik heb voor Mij zevenduizend mannen overgelaten..." 1 Koningen 19:18


Bij God ging het al vóór Christus niet over afkomst alleen. Hij kijkt het hart aan. Het geloof, het vertrouwen en de gehoorzaamheid aan Hem als de schepper. Het ontzag voor de almachtige creator van mens, dier en natuur. En dat hoeft als mens niet eens altijd onafgebroken en zuiver te zijn. Want daar zijn onder andere Jakob, Mozes en David, hele goede voorbeelden van.


Paulus wijst daarom vaker vanuit het NT naar die beslissende factor uit het OT. "Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend." (Genesis 15:6; Romeinen 4:3)


De eerste mens die in de Bijbel gerechtvaardigd wordt genoemd, wordt gerechtvaardigd door geloof, niet vanwege zijn afkomst. Maar in het Nieuwe Testament wordt het nog duidelijker. Wanneer de Farizeeën zich beroemen op hun afkomst, waarschuwt Johannes de Doper hen:


"Denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader." (Mattheüs 3:9)


Jezus gaat verderop in de Bijbel nog een stap verder. In Johannes 8 zeggen de Joden: "Abraham is onze vader." Jezus antwoordt hen en zegt:


"Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen." (Johannes 8:39)


Dat wil zeggen: Het ware kindschap van Abraham wordt niet alleen zichtbaar in zijn bloedlijnen, maar veel meer in geloof en gehoorzaamheid. En Paulus komt misschien wel met de duidelijkste tekst in Galaten:


"Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn." (Galaten 3:7)


"Als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen." (Galaten 3:29)


Dat is veelzeggend. Paulus vervangt Israël hier niet, maar hij laat wel zien dat Gods belofte aan Abraham al vanaf het begin heel veel groter was dan één etnisch volk, toen God tegen Abraham zei in Genesis 12:3 "In u zullen ALLE geslachten van de aarde gezegend worden."


Als Paulus dan schrijft dat;

Christus uit Jood en heiden één nieuwe mens heeft gemaakt (Efeziërs 2:15),


dan schrijft hij hiermee niet over een 'vervanging' van Israël. Omdat het veel verder gaat dan dat en ook veel groter is. Het gaat over Gods belofte aan Abraham en het land dat God aan Abraham heeft beloofd.


Dat betekent dus niet dat Gods beloften aan Israël vervallen zijn. Helemaal niet zelfs. Zij hebben heel veel moeten doorstaan, omdat God hen had gekozen en dat zal ook worden beloond. Maar het betekent wél dat de Bijbel zelf een duidelijk onderscheid maakt tussen afkomst en geloof.


De lijn door de Bijbelgeschiedenis heen, met het Nieuwe Testament en het derde bedrijf, lijkt het kader van "Gods volk" dan wel verder te verdiepen en ook te vergroten na de kruisiging.


Maar het is in de kern nog nooit verandert.


Geloof is zonder twijfel de beslissende rode draad. En dat is één volk. Eén lichaam. Eén Herder. Niet gebouwd op afkomst. Maar op geloof in God, in Jezus Christus, de Messias. Dat is Abrahams nageslacht.


Dan zijn er tot slot nóg twee hele opmerkelijke kwesties uit Ezechiël, die ik in het volgende deel zal bespreken.


Opmerkingen


Inschrijfformulier

Bedankt voor de inzending!

  • LinkedIn

2024 door WeekvandeLeek.

bottom of page